Naar de inhoud

meelokken

overhalen, verleiden, verlokken om mee te gaan

meelokken

werkwoord

Betekenis

  1. overhalen, verleiden, verlokken om mee te gaan

Vervoeging van meelokken

meelokkenhele werkwoord — lokte meeverleden tijd enkelvoud — lokten meeverleden tijd meervoud — meegeloktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lok mee lokte mee
jij lokt mee lokte mee
hij, zij, het lokt mee lokte mee
wij lokken mee lokten mee
jullie lokken mee lokten mee
zij lokken mee lokten mee
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is meegelokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was meegelokt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd meegelokt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt meegelokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal meegelokt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal meegelokt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou meegelokt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou meegelokt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had meegelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegelokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lok mee gebiedende wijs
lokte mee verleden tijd
mee te lokken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen lokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal lokken bijzin, toekomende tijd
mee zou lokken bijzin, voorwaardelijk
mee zouden lokken bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt lokken bijzin, voorwaardelijk
mee zullen lokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen lokken bijzin, toekomende tijd
mee zult lokken bijzin, toekomende tijd
meegelokt verleden tijd, deelwoord
meegelokt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegelokt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegelokt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegelokt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegelokt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegelokt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegelokt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegelokt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegelokt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegelokt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meelok bijzin, tegenwoordige tijd
meelokkend onvoltooid, deelwoord
meelokt bijzin, tegenwoordige tijd
meelokte bijzin, verleden tijd
meelokten bijzin, verleden tijd
te hebben meegelokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meelokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegelokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegelokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegelokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd meegelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd meegelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd meegelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden meegelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden meegelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden meegelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt meegelokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word meegelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden meegelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden meegelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden meegelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt meegelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt meegelokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal meegelokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegelokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegelokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal meegelokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegelokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meelokken bijzin, toekomende tijd
zijn meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegelokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meelokken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meelokken mee zou(dt) lokken bijzin, voorwaardelijk
zouden meegelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meelokken bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegelokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegelokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meelokken bijzin, voorwaardelijk
zullen meegelokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegelokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegelokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meegelokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegelokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegelokt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegelokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meelokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meelokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meelokken bijzin, toekomende tijd
zult meegelokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van mee en lokken

Woordfamilie van meelokken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lok mee gebiedende wijs meelokken
lokke mee woordvorm meelokken
lokken mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meelokken
lokt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meelokken
lokte mee verleden tijd meelokken
lokten mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meelokken
meegelokt voltooid deelwoord meelokken
meegelokte woordvorm meelokken
meelok subordinate-clause, tegenwoordige tijd meelokken
meelokke with-subordinate-clause meelokken
meelokkend onvoltooid deelwoord meelokken
meelokkende woordvorm meelokken
meelokt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meelokken
meelokte subordinate-clause, verleden tijd meelokken
meelokten subordinate-clause, verleden tijd meelokken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meelokken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meelokken

Wat is de betekenis van meelokken?
Meelokken is een werkwoord. De betekenis is: overhalen, verleiden, verlokken om mee te gaan.
Hoe vervoeg ik meelokken?
Zo vervoeg je meelokken zo: het voltooid deelwoord is meegelokt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meelokken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. O 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meelokken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. O 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meelokken in het kort

meelokken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van meelokken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meelokken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meelokken: overhalen, verleiden, verlokken om mee te gaan
Deel meelokken — standaardnederlands.nl