meedragen
werkwoord ˈmedraɣə(n)Betekenis
- door te dragen meenemen
Hoe spreek je meedragen uit?
/ˈmedraxən/
Meedragen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| d | dak |
| r | rood |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van meedragen
meedragenhele werkwoord — droeg meeverleden tijd enkelvoud — droegen meeverleden tijd meervoud — meegedragenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draag mee | droeg mee |
| jij | draagt mee | droeg mee |
| hij, zij, het | draagt mee | droeg mee |
| wij | dragen mee | droegen mee |
| jullie | dragen mee | droegen mee |
| zij | dragen mee | droegen mee |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| draag mee | gebiedende wijs |
| droeg mee | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te dragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal dragen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen dragen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult dragen | bijzin, toekomende tijd |
| meedraag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meedraagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meedragend | onvoltooid, deelwoord |
| meedroeg | bijzin, verleden tijd |
| meedroegen | bijzin, verleden tijd |
| meegedragen | verleden tijd, deelwoord |
| meegedragen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegedragen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben meegedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meedragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meedragen | bijzin, toekomende tijd |
| zal meegedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meedragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou meegedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) meedragen mee zou(dt) dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meedragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meedragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen meedragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meedragen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen meegedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult meedragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meedragen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal meedragen mee zult/zal dragen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee en dragen
Woordfamilie van meedragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draag mee | gebiedende wijs | meedragen |
| draagt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meedragen |
| drage mee | woordvorm | meedragen |
| dragen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meedragen |
| droeg mee | verleden tijd | meedragen |
| droegen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meedragen |
| meedraag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meedragen |
| meedraagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meedragen |
| meedrage | with-subordinate-clause | meedragen |
| meedragend | onvoltooid deelwoord | meedragen |
| meedragende | woordvorm | meedragen |
| meedroeg | subordinate-clause, verleden tijd | meedragen |
| meedroegen | subordinate-clause, verleden tijd | meedragen |
| meegedragen | voltooid deelwoord | meedragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meedragen zijn vastgelegd.