meebuigen
werkwoordBetekenis
- iets volgen door te buigen
Vervoeging van meebuigen
meebuigenhele werkwoord — boog meeverleden tijd enkelvoud — bogen meeverleden tijd meervoud — meegebogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | buig mee | boog mee |
| jij | buigt mee | boog mee |
| hij, zij, het | buigt mee | boog mee |
| wij | buigen mee | bogen mee |
| jullie | buigen mee | bogen mee |
| zij | buigen mee | bogen mee |
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boog mee | verleden tijd |
| buig mee | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| mee te buigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen buigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal buigen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen buigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen buigen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult buigen | bijzin, toekomende tijd |
| meebogen | bijzin, verleden tijd |
| meeboog | bijzin, verleden tijd |
| meebuig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meebuigend | onvoltooid, deelwoord |
| meebuigt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meegebogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegebogen | verleden tijd, deelwoord |
| meegebogen te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegebogen zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te meegebogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meebuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meebuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zou meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meebuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meebuigen mee zou(dt) buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meebuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meebuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meebuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meebuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meebuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meebuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meebuigen mee zult/zal buigen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee en buigen
Woordfamilie van meebuigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bogen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meebuigen |
| boog mee | verleden tijd | meebuigen |
| buig mee | gebiedende wijs | meebuigen |
| buige mee | woordvorm | meebuigen |
| buigen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meebuigen |
| buigt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meebuigen |
| meebogen | subordinate-clause, verleden tijd | meebuigen |
| meeboog | subordinate-clause, verleden tijd | meebuigen |
| meebuig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meebuigen |
| meebuige | with-subordinate-clause | meebuigen |
| meebuigend | onvoltooid deelwoord | meebuigen |
| meebuigende | woordvorm | meebuigen |
| meebuigt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meebuigen |
| meegebogen | voltooid deelwoord | meebuigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meebuigen zijn vastgelegd.