| ev. |
gebiedende wijs
|
| gemeanderd |
verleden tijd, deelwoord
|
| gemeanderd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gemeanderd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gemeanderd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gemeanderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gemeanderd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gemeanderd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gemeanderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gemeanderd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gemeanderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb gemeanderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gemeanderd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gemeanderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gemeanderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gemeanderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gemeanderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gemeanderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gemeanderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| meander |
gebiedende wijs
|
| meanderde |
verleden tijd
|
| meandere |
aanvoegende wijs
|
| meanderend |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben gemeanderd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te meanderen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen meanderen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal gemeanderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gemeanderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gemeanderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zou gemeanderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gemeanderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gemeanderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden gemeanderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gemeanderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gemeanderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt gemeanderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen gemeanderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gemeanderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gemeanderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen meanderen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult gemeanderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult meanderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|