meander
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- naar de tegengestelde richting terugkerende bocht in een rivier
- (in het meervoud) randversiering bestaande uit rechthoekige gebroken lijnen
zelfstandig naamwoord — masculine
- randversiering bestaande uit rechthoekige gebroken lijnen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meanders | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meanderen
- gebiedende wijs van meanderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meanderen
Vervoeging van meander
meanderhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rivierbocht’ voor het eerst aangetroffen in 1733
Woordfamilie van meander
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meanders | meervoud | meander |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meander zijn vastgelegd.