mandateren
werkwoordBetekenis
- machtigen, een mandaat geven
Vervoeging van mandateren
mandaterenhele werkwoord — mandateerdeverleden tijd enkelvoud — mandateerdenverleden tijd meervoud — gemandateerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mandateer | mandateerde |
| jij | mandateert | mandateerde |
| hij, zij, het | mandateert | mandateerde |
| wij | mandateren | mandateerden |
| jullie | mandateren | mandateerden |
| zij | mandateren | mandateerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemandateerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemandateerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemandateerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemandateerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemandateerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemandateerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemandateerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemandateerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemandateerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemandateerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemandateerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemandateerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemandateerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemandateerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemandateerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemandateerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemandateerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemandateerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemandateerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemandateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemandateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemandateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemandateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemandateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemandateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemandateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemandateerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mandateer | gebiedende wijs |
| mandateerde | verleden tijd |
| mandatere | aanvoegende wijs |
| mandaterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemandateerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mandateren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mandateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemandateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemandateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemandateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemandateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemandateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemandateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemandateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemandateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemandateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemandateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemandateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemandateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemandateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemandateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemandateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemandateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemandateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemandateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemandateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemandateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemandateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemandateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemandateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemandateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemandateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemandateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemandateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemandateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemandateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemandateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemandateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemandateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemandateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemandateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mandateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemandateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemandateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemandateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mandateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van het Franse mandater (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van mandateren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemandateerd | voltooid deelwoord | mandateren |
| gemandateerde | woordvorm | mandateren |
| mandateer | gebiedende wijs | mandateren |
| mandateerde | verleden tijd | mandateren |
| mandateerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mandateren |
| mandateert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mandateren |
| mandatere | aanvoegende wijs | mandateren |
| mandaterend | onvoltooid deelwoord | mandateren |
| mandaterende | woordvorm | mandateren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mandateren zijn vastgelegd.