| - |
impersonal, passief
|
| ben gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| er is gelouterd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was gelouterd |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd gelouterd |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt gelouterd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal gelouterd worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal gelouterd zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou gelouterd worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou gelouterd zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| gelouterd |
verleden tijd, deelwoord
|
| gelouterd te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gelouterd te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gelouterd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gelouterd te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gelouterd te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gelouterd worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gelouterd zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gelouterd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gelouterd zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gelouterd zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gelouterd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gelouterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gelouterd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gelouterd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gelouterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gelouterd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gelouterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gelouterd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| louter |
gebiedende wijs
|
| louterde |
verleden tijd
|
| loutere |
aanvoegende wijs
|
| louterend |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben gelouterd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te louteren |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen louteren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart gelouterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gelouterd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren gelouterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gelouterd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was gelouterd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was gelouterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was gelouterd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt gelouterd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal gelouterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gelouterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gelouterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal gelouterd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gelouterd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zijn gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt gelouterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou gelouterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gelouterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gelouterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gelouterd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gelouterd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gelouterd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden gelouterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gelouterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gelouterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gelouterd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gelouterd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gelouterd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt gelouterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gelouterd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen gelouterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gelouterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gelouterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gelouterd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gelouterd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gelouterd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen louteren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult gelouterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gelouterd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gelouterd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult louteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|