loge
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- afgeschoten gedeelte in een theater met enige zitplaatsen
- vereniging van vrijmetselaars
- hokje van een portier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| loges | meervoud |
| logetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| logetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van logen
Vervoeging van loge
logehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plaats in theater’ voor het eerst aangetroffen in 1735
Woordfamilie van loge
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| loges | meervoud | loge |
| logetje | verkleinwoord | loge |
| logetjes | verkleinwoord meervoud | loge |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loge zijn vastgelegd.