liggen
werkwoord ˈlɪɣə(n)Betekenis
- zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
- op een bepaalde plaats bevinden
- tamelijk prettig worden gevonden door
- ~ te: duratief hulpwerkwoord: iets doen terwijl men ligt
Hoe spreek je liggen uit?
/ˈlɪxən/
Liggen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van liggen
liggenhele werkwoord — lagverleden tijd enkelvoud — lagenverleden tijd meervoud — gelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig | lag |
| jij | ligt | laagt |
| hij, zij, het | ligt | lag |
| wij | liggen | lagen |
| jullie | liggen | lagen |
| zij | liggen | lagen |
Alle 27 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelegen | verleden tijd, deelwoord |
| gelegen te zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelegen zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben, zijn gelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| lag | verleden tijd |
| lig | gebiedende wijs |
| ligge | aanvoegende wijs |
| liggend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben, zijn gelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal liggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal liggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal liggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou liggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou liggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou liggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden liggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden liggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden liggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt liggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen liggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen liggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen liggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult liggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘uitgestrekt zijn, zich bevinden’ aangetroffen vanaf 1100
Woordfamilie van liggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| laagt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | liggen |
| lig | gebiedende wijs | liggen |
| ligge | aanvoegende wijs | liggen |
| ligt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | liggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van liggen zijn vastgelegd.