leuren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- bij de huizen aanbellen om rotzooi te verkopen, venten
- bedriegen, knoeien
- sleuren, slepen
werkwoord
- huis aan huis of aan voorbijgangers spullen te koop aanbieden, in het bijzonder als die spullen niet erg gewild zijn
Vervoeging van leuren
leurenhele werkwoord — leurdeverleden tijd enkelvoud — leurdenverleden tijd meervoud — geleurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leur | leurde |
| jij | leurt | leurde |
| hij, zij, het | leurt | leurde |
| wij | leuren | leurden |
| jullie | leuren | leurden |
| zij | leuren | leurden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geleurd | verleden tijd, deelwoord |
| geleurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leur | gebiedende wijs |
| leurde | verleden tijd |
| leure | aanvoegende wijs |
| leurend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geleurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te leuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen leuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal leuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal leuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal leuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou leuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou leuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou leuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden leuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden leuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden leuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt leuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen leuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen leuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen leuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen leuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult leuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord leur
Herkomst
In de betekenis van ‘venten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1540
Woordfamilie van leuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geleurd | voltooid deelwoord | leuren |
| leurde | verleden tijd | leuren |
| leurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | leuren |
| leure | aanvoegende wijs | leuren |
| leurend | onvoltooid deelwoord | leuren |
| leurende | woordvorm | leuren |
| leurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | leuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leuren zijn vastgelegd.