Naar de inhoud

leegblazen

door blazen ledigen

leegblazen

werkwoord

Betekenis

  1. door blazen ledigen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van leegblazen

leegblazenhele werkwoord — blies leegverleden tijd enkelvoud — bliezen leegverleden tijd meervoud — leeggeblazenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blaas leeg blies leeg
jij blaast leeg blies leeg
hij, zij, het blaast leeg blies leeg
wij blazen leeg bliezen leeg
jullie blazen leeg bliezen leeg
zij blazen leeg bliezen leeg
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
blaas leeg gebiedende wijs
blies leeg verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had leeggeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had leeggeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had leeggeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden leeggeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden leeggeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden leeggeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt leeggeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb leeggeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben leeggeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben leeggeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben leeggeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben leeggeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt leeggeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft leeggeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft leeggeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leeg te blazen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
leeg te zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
leeg zal blazen bijzin, toekomende tijd
leeg zou blazen bijzin, voorwaardelijk
leeg zouden blazen bijzin, voorwaardelijk
leeg zoudt blazen bijzin, voorwaardelijk
leeg zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
leeg zullen blazen bijzin, toekomende tijd
leeg zult blazen bijzin, toekomende tijd
leegblaas bijzin, tegenwoordige tijd
leegblaast bijzin, tegenwoordige tijd
leegblazend onvoltooid, deelwoord
leegblies bijzin, verleden tijd
leegbliezen bijzin, verleden tijd
leeggeblazen verleden tijd, deelwoord
leeggeblazen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
leeggeblazen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben leeggeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen leegblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal leegblazen bijzin, toekomende tijd
zal leeggeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal leeggeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal leeggeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou leegblazen bijzin, voorwaardelijk
zou leeggeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou leeggeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou leeggeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) leegblazen leeg zou(dt) blazen bijzin, voorwaardelijk
zouden leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden leegblazen bijzin, voorwaardelijk
zouden leeggeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden leeggeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden leeggeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt leegblazen bijzin, voorwaardelijk
zoudt leeggeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen leegblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen leegblazen bijzin, toekomende tijd
zullen leeggeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen leeggeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen leeggeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult leegblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult leegblazen bijzin, toekomende tijd
zult leeggeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal leegblazen leeg zult/zal blazen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van leeg en blazen

Woordfamilie van leegblazen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blaas leeg gebiedende wijs leegblazen
blaast leeg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon leegblazen
blaze leeg woordvorm leegblazen
blazen leeg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon leegblazen
blies leeg verleden tijd leegblazen
bliezen leeg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon leegblazen
leegblaas subordinate-clause, tegenwoordige tijd leegblazen
leegblaast subordinate-clause, tegenwoordige tijd leegblazen
leegblaze with-subordinate-clause leegblazen
leegblazend onvoltooid deelwoord leegblazen
leegblazende woordvorm leegblazen
leegblies subordinate-clause, verleden tijd leegblazen
leegbliezen subordinate-clause, verleden tijd leegblazen
leeggeblazen voltooid deelwoord leegblazen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leegblazen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over leegblazen

Wat betekent leegblazen?
Leegblazen is een werkwoord. Het woord betekent: door blazen ledigen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je leegblazen?
Je vervoegt leegblazen als volgt: het voltooid deelwoord is leeggeblazen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord leegblazen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. G 3
  5. B 3
  6. L 3
  7. A 1
  8. Z 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

leegblazen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. G 3
  5. B 4
  6. L 3
  7. A 1
  8. Z 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

leegblazen in het kort

leegblazen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van leegblazen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort leegblazen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

leegblazen: door blazen ledigen
Deel leegblazen — standaardnederlands.nl