kruiden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- specerij bij een gerecht doen
Vervoeging van kruiden
kruidenhele werkwoord — kruiddeverleden tijd enkelvoud — kruiddenverleden tijd meervoud — gekruidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kruid | kruidde |
| jij | kruidt | kruidde |
| hij, zij, het | kruidt | kruidde |
| wij | kruiden | kruidden |
| jullie | kruiden | kruidden |
| zij | kruiden | kruidden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekruid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekruid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekruid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekruid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekruid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekruid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekruid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekruid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekruid | verleden tijd, deelwoord |
| gekruid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekruid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekruid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekruid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekruid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekruid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekruid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekruid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekruid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekruid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekruid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kruid | gebiedende wijs |
| kruidde | verleden tijd |
| kruide | aanvoegende wijs |
| kruidend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekruid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kruiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kruiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kruiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van kruien
Vervoeging van kruiden
kruidenhele werkwoord — kruiddeverleden tijd enkelvoud — kruiddenverleden tijd meervoud — gekruidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kruid | kruidde |
| jij | kruidt | kruidde |
| hij, zij, het | kruidt | kruidde |
| wij | kruiden | kruidden |
| jullie | kruiden | kruidden |
| zij | kruiden | kruidden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekruid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekruid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekruid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekruid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekruid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekruid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekruid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekruid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekruid | verleden tijd, deelwoord |
| gekruid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekruid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekruid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekruid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekruid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekruid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekruid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekruid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekruid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekruid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekruid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kruid | gebiedende wijs |
| kruidde | verleden tijd |
| kruide | aanvoegende wijs |
| kruidend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekruid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kruiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kruiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekruid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekruid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekruid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kruiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekruid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekruid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kruiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kruid
Woordfamilie van kruiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kruidde | verleden tijd | kruiden |
| kruidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kruiden |
| kruidend | onvoltooid deelwoord | kruiden |
| kruidende | woordvorm | kruiden |
| kruidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kruiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruiden zijn vastgelegd.