kromliggen
werkwoordBetekenis
- allerlei gebrek en ongerief voor lief nemen, gewoonlijk om een ander financieel te steunen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van kromliggen
kromliggenhele werkwoord — lag kromverleden tijd enkelvoud — lagen kromverleden tijd meervoud — kromgelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig krom | lag krom |
| jij | ligt krom | laagt krom |
| hij, zij, het | ligt krom | lag krom |
| wij | liggen krom | lagen krom |
| jullie | liggen krom | lagen krom |
| zij | liggen krom | lagen krom |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had kromgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had kromgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had kromgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden kromgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden kromgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden kromgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt kromgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb kromgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kromgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben kromgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kromgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben kromgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt kromgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kromgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kromgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krom te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| krom te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| krom zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
| krom zou liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| krom zouden liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| krom zoudt liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| krom zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| krom zullen liggen | bijzin, toekomende tijd |
| krom zult liggen | bijzin, toekomende tijd |
| kromgelegen | verleden tijd, deelwoord |
| kromgelegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kromgelegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kromlaagt | bijzin, verleden tijd |
| kromlag | bijzin, verleden tijd |
| kromlagen | bijzin, verleden tijd |
| kromlig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kromliggend | onvoltooid, deelwoord |
| kromligt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lag krom | verleden tijd |
| lig krom | gebiedende wijs |
| te hebben kromgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kromliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal kromgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kromgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal kromgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal kromliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zou kromgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kromgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kromgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou kromliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) kromliggen krom zou(dt) liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden kromgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden kromgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden kromgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden kromliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt kromgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt kromliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen kromgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen kromgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen kromgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kromliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen kromliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult kromgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kromliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult kromliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal kromliggen krom zult/zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van krom en liggen
Woordfamilie van kromliggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kromgelegen | voltooid deelwoord | kromliggen |
| kromlag | subordinate-clause, verleden tijd | kromliggen |
| kromlagen | subordinate-clause, verleden tijd | kromliggen |
| kromlig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kromliggen |
| kromligge | with-subordinate-clause | kromliggen |
| kromliggend | onvoltooid deelwoord | kromliggen |
| kromliggende | woordvorm | kromliggen |
| kromligt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kromliggen |
| lag krom | verleden tijd | kromliggen |
| lagen krom | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kromliggen |
| lig krom | gebiedende wijs | kromliggen |
| ligge krom | woordvorm | kromliggen |
| liggen krom | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | kromliggen |
| ligt krom | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kromliggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kromliggen zijn vastgelegd.