Naar de inhoud

kromliggen

allerlei gebrek en ongerief voor lief nemen, gewoonlijk om een ander financieel te steunen

kromliggen

werkwoord

Betekenis

  1. allerlei gebrek en ongerief voor lief nemen, gewoonlijk om een ander financieel te steunen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van kromliggen

kromliggenhele werkwoord — lag kromverleden tijd enkelvoud — lagen kromverleden tijd meervoud — kromgelegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lig krom lag krom
jij ligt krom laagt krom
hij, zij, het ligt krom lag krom
wij liggen krom lagen krom
jullie liggen krom lagen krom
zij liggen krom lagen krom
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had kromgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had kromgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had kromgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden kromgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden kromgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden kromgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt kromgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb kromgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben kromgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben kromgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben kromgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben kromgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt kromgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft kromgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft kromgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krom te liggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
krom te zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
krom zal liggen bijzin, toekomende tijd
krom zou liggen bijzin, voorwaardelijk
krom zouden liggen bijzin, voorwaardelijk
krom zoudt liggen bijzin, voorwaardelijk
krom zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
krom zullen liggen bijzin, toekomende tijd
krom zult liggen bijzin, toekomende tijd
kromgelegen verleden tijd, deelwoord
kromgelegen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
kromgelegen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
kromlaagt bijzin, verleden tijd
kromlag bijzin, verleden tijd
kromlagen bijzin, verleden tijd
kromlig bijzin, tegenwoordige tijd
kromliggend onvoltooid, deelwoord
kromligt bijzin, tegenwoordige tijd
lag krom verleden tijd
lig krom gebiedende wijs
te hebben kromgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kromliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal kromgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal kromgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal kromgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal kromliggen bijzin, toekomende tijd
zou kromgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou kromgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou kromgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou kromliggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) kromliggen krom zou(dt) liggen bijzin, voorwaardelijk
zouden kromgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden kromgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden kromgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden kromliggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt kromgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt kromliggen bijzin, voorwaardelijk
zullen kromgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen kromgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen kromgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kromliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen kromliggen bijzin, toekomende tijd
zult kromgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kromliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult kromliggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal kromliggen krom zult/zal liggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van krom en liggen

Woordfamilie van kromliggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kromgelegen voltooid deelwoord kromliggen
kromlag subordinate-clause, verleden tijd kromliggen
kromlagen subordinate-clause, verleden tijd kromliggen
kromlig subordinate-clause, tegenwoordige tijd kromliggen
kromligge with-subordinate-clause kromliggen
kromliggend onvoltooid deelwoord kromliggen
kromliggende woordvorm kromliggen
kromligt subordinate-clause, tegenwoordige tijd kromliggen
lag krom verleden tijd kromliggen
lagen krom aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kromliggen
lig krom gebiedende wijs kromliggen
ligge krom woordvorm kromliggen
liggen krom aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon kromliggen
ligt krom aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kromliggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kromliggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over kromliggen

Wat betekent kromliggen?
Kromliggen is een werkwoord. Het woord betekent: allerlei gebrek en ongerief voor lief nemen, gewoonlijk om een ander financieel te steunen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je kromliggen?
Je vervoegt kromliggen als volgt: het voltooid deelwoord is kromgelegen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kromliggen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. M 3
  5. L 3
  6. I 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kromliggen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. M 3
  5. L 3
  6. I 2
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kromliggen in het kort

kromliggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van kromliggen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort kromliggen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

kromliggen: allerlei gebrek en ongerief voor lief nemen, gewoonlijk om een ander financieel te steunen
Deel kromliggen — standaardnederlands.nl