koukleumen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkɑuklømə(n)Betekenis
- lijden onder een lage temperatuur
Hoe spreek je koukleumen uit?
/ˈkɑuklømən/
Koukleumen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑu | koud |
| l | land |
| ø | deur |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van koukleumen
koukleumenhele werkwoord — koukleumdeverleden tijd enkelvoud — koukleumdenverleden tijd meervoud — gekoukleumdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | koukleum | koukleumde |
| jij | koukleumt | koukleumde |
| hij, zij, het | koukleumt | koukleumde |
| wij | koukleumen | koukleumden |
| jullie | koukleumen | koukleumden |
| zij | koukleumen | koukleumden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekoukleumd | verleden tijd, deelwoord |
| gekoukleumd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekoukleumd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekoukleumd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekoukleumd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekoukleumd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekoukleumd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekoukleumd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekoukleumd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekoukleumd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekoukleumd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekoukleumd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekoukleumd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekoukleumd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekoukleumd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekoukleumd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekoukleumd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekoukleumd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| koukleum | gebiedende wijs |
| koukleumde | verleden tijd |
| koukleume | aanvoegende wijs |
| koukleumend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekoukleumd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te koukleumen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen koukleumen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekoukleumd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekoukleumd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekoukleumd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekoukleumd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekoukleumd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekoukleumd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekoukleumd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekoukleumd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekoukleumd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekoukleumd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekoukleumd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekoukleumd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekoukleumd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen koukleumen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekoukleumd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult koukleumen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord koukleum
Herkomst
afgeleid van koukleum met het achtervoegsel -en of samenstelling van kou zn en kleumen ww
Woordfamilie van koukleumen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekoukleumd | voltooid deelwoord | koukleumen |
| koukleumde | verleden tijd | koukleumen |
| koukleumden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | koukleumen |
| koukleumend | onvoltooid deelwoord | koukleumen |
| koukleumende | woordvorm | koukleumen |
| koukleumt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | koukleumen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koukleumen zijn vastgelegd.