korrel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een enkele zaad van graan
- basisdeeltje waaruit een granulair, korrelig materiaal bestaat
zelfstandig naamwoord — masculine
- een richtmiddel (vizier) op een handvuurwapen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| korrels | meervoud |
| korreltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| korreltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van korrelen
- gebiedende wijs van korrelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van korrelen
Vervoeging van korrel
korrelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘graantje, rond, hard lichaampje’ voor het eerst aangetroffen in 1484
Woordfamilie van korrel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| korrels | meervoud | korrel |
| korreltje | verkleinwoord | korrel |
| korreltjes | verkleinwoord meervoud | korrel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van korrel zijn vastgelegd.