kooi
zelfstandig naamwoord, werkwoord /koːɪ/Betekenis
- een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
- voor dieren
- stal voor schapen, kippen of varkens
- slaapplaats van boord van een schip
Hoe spreek je kooi uit?
/koɪ/
Kooi bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| ɪ | pit |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
- ~ voor dieren
- slaapplaats aan boord van een schip
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kooien | meervoud |
| kooitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kooitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kooien
- gebiedende wijs van kooien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kooien
Vervoeging van kooi
kooihele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands cooye van Latijn cavea, in de betekenis van ‘hok, stal’ aangetroffen vanaf 1287
Woordfamilie van kooi
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kooitje | verkleinwoord | kooi |
| kooitjes | verkleinwoord meervoud | kooi |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kooi zijn vastgelegd.