kooiker
zelfstandig naamwoordBetekenis
- houder van een eendenkooi
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kooikers | meervoud |
| kooikertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kooikertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘houder van een eendenkooi’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1856
Woordfamilie van kooiker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kooikers | meervoud | kooiker |
| kooikertje | verkleinwoord | kooiker |
| kooikertjes | verkleinwoord meervoud | kooiker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kooiker zijn vastgelegd.