knuffelen
werkwoordBetekenis
- omhelzen, een knuffel geven
werkwoord
- een knuffel geven
Vervoeging van knuffelen
knuffelenhele werkwoord — knuffeldeverleden tijd enkelvoud — knuffeldenverleden tijd meervoud — geknuffeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knuffel | knuffelde |
| jij | knuffelt | knuffelde |
| hij, zij, het | knuffelt | knuffelde |
| wij | knuffelen | knuffelden |
| jullie | knuffelen | knuffelden |
| zij | knuffelen | knuffelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geknuffeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geknuffeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geknuffeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geknuffeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geknuffeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geknuffeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geknuffeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geknuffeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geknuffeld | verleden tijd, deelwoord |
| geknuffeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknuffeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknuffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknuffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknuffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknuffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknuffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knuffel | gebiedende wijs |
| knuffelde | verleden tijd |
| knuffele | aanvoegende wijs |
| knuffelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geknuffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knuffelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knuffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knuffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van “liefkozend pakken” voor het eerst aangetroffen in het jaar 1521.
Woordfamilie van knuffelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknuffeld | voltooid deelwoord | knuffelen |
| geknuffelde | woordvorm | knuffelen |
| knuffelde | verleden tijd | knuffelen |
| knuffelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knuffelen |
| knuffele | aanvoegende wijs | knuffelen |
| knuffelend | onvoltooid deelwoord | knuffelen |
| knuffelende | woordvorm | knuffelen |
| knuffelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knuffelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knuffelen zijn vastgelegd.