klonteren
werkwoordBetekenis
- klonten vormen
Vervoeging van klonteren
klonterenhele werkwoord — klonterdeverleden tijd enkelvoud — klonterdenverleden tijd meervoud — geklonterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klonter | klonterde |
| jij | klontert | klonterde |
| hij, zij, het | klontert | klonterde |
| wij | klonteren | klonterden |
| jullie | klonteren | klonterden |
| zij | klonteren | klonterden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geklonterd | verleden tijd, deelwoord |
| geklonterd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geklonterd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klonter | gebiedende wijs |
| klonterde | verleden tijd |
| klontere | aanvoegende wijs |
| klonterend | onvoltooid, deelwoord |
| te klonteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geklonterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klonteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geklonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geklonterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geklonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geklonterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geklonterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geklonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geklonterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geklonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geklonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geklonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geklonterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geklonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geklonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geklonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geklonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geklonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geklonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geklonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geklonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geklonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geklonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geklonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klonteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geklonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klonteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit klonten met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van klonteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geklonterd | voltooid deelwoord | klonteren |
| geklonterde | woordvorm | klonteren |
| klonterde | verleden tijd | klonteren |
| klonterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klonteren |
| klontere | aanvoegende wijs | klonteren |
| klonterend | onvoltooid deelwoord | klonteren |
| klonterende | woordvorm | klonteren |
| klontert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klonteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klonteren zijn vastgelegd.