kletsen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand een klets geven, iemand slaan
- praten, babbelen
werkwoord
- op een informele manier praten unergative
- onzin vertellen pejorative, unergative
Vervoeging van kletsen
kletsenhele werkwoord — kletsteverleden tijd enkelvoud — kletstenverleden tijd meervoud — gekletstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klets | kletste |
| jij | kletst | kletste |
| hij, zij, het | kletst | kletste |
| wij | kletsen | kletsten |
| jullie | kletsen | kletsten |
| zij | kletsen | kletsten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekletst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekletst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekletst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekletst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekletst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekletst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekletst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekletst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekletst | verleden tijd, deelwoord |
| gekletst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekletst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekletst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekletst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekletst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekletst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekletst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekletst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekletst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekletst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekletst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekletst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekletst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekletst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekletst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekletst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekletst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekletst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klets | gebiedende wijs |
| kletse | aanvoegende wijs |
| kletsend | onvoltooid, deelwoord |
| kletste | verleden tijd |
| te hebben gekletst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kletsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kletsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekletst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekletst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekletst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekletst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekletst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekletst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekletst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekletst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekletst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekletst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekletst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekletst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekletst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekletst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekletst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekletst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekletst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekletst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekletst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekletst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekletst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekletst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekletst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekletst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekletst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekletst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekletst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekletst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekletst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekletst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekletst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekletst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekletst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekletst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekletst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekletst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekletst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekletst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekletst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekletst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekletst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekletst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekletst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekletst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekletst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekletst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kletsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekletst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekletst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekletst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kletsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord klets
Herkomst
In de betekenis van ‘geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in 1635
Woordfamilie van kletsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekletst | voltooid deelwoord | kletsen |
| gekletste | woordvorm | kletsen |
| kletse | aanvoegende wijs | kletsen |
| kletsend | onvoltooid deelwoord | kletsen |
| kletsende | woordvorm | kletsen |
| kletst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kletsen |
| kletste | verleden tijd | kletsen |
| kletsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kletsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kletsen zijn vastgelegd.