kleinkrijgen
werkwoordBetekenis
- onderwerpen, onder zijn gezag plaatsen
Vervoeging van kleinkrijgen
kleinkrijgenhele werkwoord — kreeg kleinverleden tijd enkelvoud — kregen kleinverleden tijd meervoud — kleingekregenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krijg klein | kreeg klein |
| jij | krijgt klein | kreeg klein |
| hij, zij, het | krijgt klein | kreeg klein |
| wij | krijgen klein | kregen klein |
| jullie | krijgen klein | kregen klein |
| zij | krijgen klein | kregen klein |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is kleingekregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was kleingekregen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd kleingekregen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt kleingekregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal kleingekregen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal kleingekregen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou kleingekregen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou kleingekregen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had kleingekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had kleingekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had kleingekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden kleingekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden kleingekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden kleingekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt kleingekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kleingekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klein te krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| klein te zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| klein zal krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| klein zou krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| klein zouden krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| klein zoudt krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| klein zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| klein zullen krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| klein zult krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| kleingekregen | verleden tijd, deelwoord |
| kleingekregen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kleingekregen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kleingekregen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kleingekregen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kleingekregen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kleingekregen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kleingekregen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kleingekregen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kleingekregen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kleingekregen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kleinkreeg | bijzin, verleden tijd |
| kleinkregen | bijzin, verleden tijd |
| kleinkrijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kleinkrijgend | onvoltooid, deelwoord |
| kleinkrijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kreeg klein | verleden tijd |
| krijg klein | gebiedende wijs |
| te hebben kleingekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kleinkrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart kleingekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kleingekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren kleingekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kleingekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was kleingekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was kleingekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was kleingekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt kleingekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal kleingekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kleingekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal kleingekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal kleingekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kleingekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal kleinkrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt kleingekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou kleingekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kleingekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kleingekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kleingekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kleingekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kleingekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou kleinkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) kleinkrijgen klein zou(dt) krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden kleingekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden kleingekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden kleingekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kleingekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden kleingekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden kleingekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden kleinkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt kleingekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kleingekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt kleinkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen kleingekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen kleingekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen kleingekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kleingekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kleingekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen kleingekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen kleingekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kleinkrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kleinkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen kleinkrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult kleingekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van klein en krijgen
Woordfamilie van kleinkrijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kleingekregen | voltooid deelwoord | kleinkrijgen |
| kleinkreeg | subordinate-clause, verleden tijd | kleinkrijgen |
| kleinkregen | subordinate-clause, verleden tijd | kleinkrijgen |
| kleinkrijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kleinkrijgen |
| kleinkrijge | with-subordinate-clause | kleinkrijgen |
| kleinkrijgend | onvoltooid deelwoord | kleinkrijgen |
| kleinkrijgende | woordvorm | kleinkrijgen |
| kleinkrijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kleinkrijgen |
| kreeg klein | verleden tijd | kleinkrijgen |
| kregen klein | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kleinkrijgen |
| krijg klein | gebiedende wijs | kleinkrijgen |
| krijge klein | woordvorm | kleinkrijgen |
| krijgen klein | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | kleinkrijgen |
| krijgt klein | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kleinkrijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleinkrijgen zijn vastgelegd.