klapper
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een kokosnoot, de vrucht van de kokospalm (die zelf ook 'klapper' heet)
- een val waarbij men luidruchtig onzacht terecht komt
- een notitieblok dat men verticaal kan openklappen
- succes
- trefwoordenregister, index
zelfstandig naamwoord — masculine
- Cocos nucifera een kokosnoot, de vrucht van de kokospalm (die zelf ook 'klapper' heet)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klappers | meervoud |
| klappertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klappertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klapperen
- gebiedende wijs van klapperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klapperen
Vervoeging van klapper
klapperhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘kokosnoot’ voor het eerst aangetroffen in 1678
Woordfamilie van klapper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klappers | meervoud | klapper |
| klappertje | verkleinwoord | klapper |
| klappertjes | verkleinwoord meervoud | klapper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klapper zijn vastgelegd.