kiften
werkwoord ˈkɪftə(n)Betekenis
- ruzie maken
Hoe spreek je kiften uit?
/ˈkɪftən/
Kiften bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɪ | pit |
| f | fiets |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kiften
kiftenhele werkwoord — kiftteverleden tijd enkelvoud — kifttenverleden tijd meervoud — gekiftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kift | kiftte |
| jij | kift | kiftte |
| hij, zij, het | kift | kiftte |
| wij | kiften | kiftten |
| jullie | kiften | kiftten |
| zij | kiften | kiftten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekift | verleden tijd, deelwoord |
| gekift te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekift zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekift | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekift | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekift | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekift | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekift | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekift | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekift | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekift | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekift | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekift | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekift | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekift | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekift | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekift | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekift | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kift | gebiedende wijs |
| kifte | aanvoegende wijs |
| kiftend | onvoltooid, deelwoord |
| kiftte | verleden tijd |
| te hebben gekift | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kiften | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kiften | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekift hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekift hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekift hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kiften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kiften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kiften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekift hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekift hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekift hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kiften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kiften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kiften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekift hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekift hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekift hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kiften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kiften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kiften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekift hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kiften | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekift hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekift hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekift hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kiften | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kiften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kiften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kiften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekift hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kiften | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ruzie maken’ voor het eerst aangetroffen in 1918
Woordfamilie van kiften
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekift | voltooid deelwoord | kiften |
| kifte | aanvoegende wijs | kiften |
| kiftend | onvoltooid deelwoord | kiften |
| kiftende | woordvorm | kiften |
| kiftte | verleden tijd | kiften |
| kiftten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kiften |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kiften zijn vastgelegd.