kienen
werkwoordBetekenis
- het kienspel spelen
Vervoeging van kienen
kienenhele werkwoord — kiendeverleden tijd enkelvoud — kiendenverleden tijd meervoud — gekiendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kien | kiende |
| jij | kient | kiende |
| hij, zij, het | kient | kiende |
| wij | kienen | kienden |
| jullie | kienen | kienden |
| zij | kienen | kienden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekiend | verleden tijd, deelwoord |
| gekiend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekiend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekiend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kien | gebiedende wijs |
| kiende | verleden tijd |
| kiene | aanvoegende wijs |
| kienend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekiend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kienen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kienen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kienen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kienen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kienen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kienen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kienen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kienen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kienen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kienen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kienen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kienen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kienen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kienen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kienen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘het kienspel spelen’ voor het eerst aangetroffen in 1846
Woordfamilie van kienen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekiend | voltooid deelwoord | kienen |
| kiende | verleden tijd | kienen |
| kienden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kienen |
| kienend | onvoltooid deelwoord | kienen |
| kienende | woordvorm | kienen |
| kient | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kienen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kienen zijn vastgelegd.