wetenschapper
zelfstandig naamwoord /ˈʋetəˌsxɑpər/Betekenis
- iemand die de wetenschap beoefent
Hoe spreek je wetenschapper uit?
/ˈwetəˌsxɑpər/
Wetenschapper bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wetenschappers | meervoud |
| wetenschappertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wetenschappertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wetenschapsbeoefenaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1976
Woordfamilie van wetenschapper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wetenschappers | meervoud | wetenschapper |
| wetenschappertje | verkleinwoord | wetenschapper |
| wetenschappertjes | verkleinwoord meervoud | wetenschapper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wetenschapper zijn vastgelegd.