kapotmaken
werkwoordBetekenis
- zorgen dat iets beschadigd raakt waardoor iets niet meer functioneert (met opzet)
Vervoeging van kapotmaken
kapotmakenhele werkwoord — maakte kapotverleden tijd enkelvoud — maakten kapotverleden tijd meervoud — kapotgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak kapot | maakte kapot |
| jij | maakt kapot | maakte kapot |
| hij, zij, het | maakt kapot | maakte kapot |
| wij | maken kapot | maakten kapot |
| jullie | maken kapot | maakten kapot |
| zij | maken kapot | maakten kapot |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is kapotgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was kapotgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd kapotgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt kapotgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal kapotgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal kapotgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou kapotgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou kapotgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kapotgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kapot te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kapot te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kapot zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| kapot zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| kapot zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| kapot zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| kapot zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kapot zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| kapot zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| kapotgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| kapotgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kapotgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kapotgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kapotgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kapotgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kapotgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kapotgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kapotgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kapotgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kapotgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kapotmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kapotmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kapotmaakte | bijzin, verleden tijd |
| kapotmaakten | bijzin, verleden tijd |
| kapotmakend | onvoltooid, deelwoord |
| maak kapot | gebiedende wijs |
| maakte kapot | verleden tijd |
| te hebben kapotgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kapotmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was kapotgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt kapotgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal kapotgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kapotgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal kapotgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal kapotgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kapotgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal kapotmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt kapotgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou kapotgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kapotgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kapotgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kapotgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kapotgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kapotgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou kapotmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) kapotmaken kapot zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden kapotgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden kapotgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden kapotgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kapotgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden kapotgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden kapotgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden kapotmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt kapotgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kapotgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt kapotmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen kapotgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen kapotgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen kapotgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kapotgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kapotgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen kapotgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen kapotgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kapotmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kapotmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen kapotmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult kapotgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van kapot en maken
Woordfamilie van kapotmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kapotmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kapotmaken |
| kapotmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kapotmaken |
| kapotmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | kapotmaken |
| kapotmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | kapotmaken |
| kapotmake | with-subordinate-clause | kapotmaken |
| kapotmakend | onvoltooid deelwoord | kapotmaken |
| kapotmakende | woordvorm | kapotmaken |
| maak kapot | gebiedende wijs | kapotmaken |
| maakt kapot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kapotmaken |
| maakte kapot | verleden tijd | kapotmaken |
| maakten kapot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kapotmaken |
| make kapot | woordvorm | kapotmaken |
| maken kapot | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | kapotmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapotmaken zijn vastgelegd.