kapittelen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- berispen, iemand de les leren
Vervoeging van kapittelen
kapittelenhele werkwoord — kapitteldeverleden tijd enkelvoud — kapitteldenverleden tijd meervoud — gekapitteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kapittel | kapittelde |
| jij | kapittelt | kapittelde |
| hij, zij, het | kapittelt | kapittelde |
| wij | kapittelen | kapittelden |
| jullie | kapittelen | kapittelden |
| zij | kapittelen | kapittelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekapitteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekapitteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekapitteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekapitteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekapitteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekapitteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekapitteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekapitteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekapitteld | verleden tijd, deelwoord |
| gekapitteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekapitteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekapitteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekapitteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekapitteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekapitteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekapitteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekapitteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekapitteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekapitteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekapitteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekapitteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekapitteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekapitteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekapitteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekapitteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekapitteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekapitteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kapittel | gebiedende wijs |
| kapittelde | verleden tijd |
| kapittele | aanvoegende wijs |
| kapittelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekapitteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kapittelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kapittelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekapitteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekapitteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekapitteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekapitteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekapitteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekapitteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekapitteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekapitteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekapitteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekapitteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekapitteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekapitteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekapitteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekapitteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekapitteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekapitteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekapitteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekapitteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekapitteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekapitteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekapitteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekapitteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekapitteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekapitteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekapitteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekapitteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekapitteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekapitteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekapitteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekapitteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekapitteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekapitteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekapitteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekapitteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kapittelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekapitteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekapitteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekapitteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kapittelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kapittel
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘berispen’ voor het eerst aangetroffen in 1301
Woordfamilie van kapittelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekapitteld | voltooid deelwoord | kapittelen |
| gekapittelde | woordvorm | kapittelen |
| kapittelde | verleden tijd | kapittelen |
| kapittelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kapittelen |
| kapittele | aanvoegende wijs | kapittelen |
| kapittelend | onvoltooid deelwoord | kapittelen |
| kapittelende | woordvorm | kapittelen |
| kapittelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kapittelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapittelen zijn vastgelegd.