kapittel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- hoofdstuk (uit de Bijbel)
- een (kerkelijk) bestuurscollege
zelfstandig naamwoord — neuter
- een kerkelijk bestuurscollege
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapittelen
- gebiedende wijs van kapittelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapittelen
Vervoeging van kapittel
kapittelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bijeenkomst van kanunniken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van kapittel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kapittels | meervoud | kapittel |
| kapitteltje | woordvorm | kapittel |
| kapitteltjes | meervoud | kapittel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapittel zijn vastgelegd.