kachel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈkɑxəlBetekenis
- een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
- dronken
Hoe spreek je kachel uit?
/ˈkɑxəl/
Kachel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kachels | meervoud |
| kacheltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kacheltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kagchel |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kachelen
- gebiedende wijs van kachelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kachelen
Vervoeging van kachel
kachelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘verwarming’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1591
Woordfamilie van kachel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kachels | meervoud | kachel |
| kacheltje | verkleinwoord | kachel |
| kacheltjes | verkleinwoord meervoud | kachel |
| kagchel | feminine, masculine | kachel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kachel zijn vastgelegd.