kachelpijp
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een buis waardoor de verbrandingsgassen van een kachel het gebouw kunnen verlaten
- een hoge zwarte hoed, cilinderhoed, hogebuis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kachelpijpen | meervoud |
| kachelpijpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kachelpijpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van kachel en pijp
Woordfamilie van kachelpijp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kachelpijpen | meervoud | kachelpijp |
| kachelpijpje | verkleinwoord | kachelpijp |
| kachelpijpjes | verkleinwoord meervoud | kachelpijp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kachelpijp zijn vastgelegd.