kaap
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een in zee vooruitstekende landpunt.
- (Vlaams) belangrijk moment, mijlpaal.
- van oudsher een baken gebruikt door de scheepvaart met een kenmerkende vorm, opgetrokken uit hout of metaal.
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- belangrijk moment, mijlpaal.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaapjes | verkleinwoord, meervoud |
| kapen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapen
- gebiedende wijs van kapen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapen
Vervoeging van kaap
kaaphele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘landtong’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567
Woordfamilie van kaap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaapje | verkleinwoord | kaap |
| kaapjes | verkleinwoord meervoud | kaap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaap zijn vastgelegd.