kaai
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kade, aanlegplaats
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaaien | meervoud |
| kaaitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaaitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaaien
- gebiedende wijs van kaaien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaaien
Vervoeging van kaai
kaaihele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wal’ voor het eerst aangetroffen in 1457
Woordfamilie van kaai
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaaitje | verkleinwoord | kaai |
| kaaitjes | verkleinwoord meervoud | kaai |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaai zijn vastgelegd.