justeren
werkwoordBetekenis
- juist stellen
- op de juiste maat brengen
Vervoeging van justeren
justerenhele werkwoord — justeerdeverleden tijd enkelvoud — justeerdenverleden tijd meervoud — gejusteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | justeer | justeerde |
| jij | justeert | justeerde |
| hij, zij, het | justeert | justeerde |
| wij | justeren | justeerden |
| jullie | justeren | justeerden |
| zij | justeren | justeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gejusteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gejusteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gejusteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gejusteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gejusteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gejusteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gejusteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gejusteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gejusteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gejusteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gejusteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gejusteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejusteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejusteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejusteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gejusteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gejusteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gejusteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gejusteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejusteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejusteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejusteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejusteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejusteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejusteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejusteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejusteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| justeer | gebiedende wijs |
| justeerde | verleden tijd |
| justere | aanvoegende wijs |
| justerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejusteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te justeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen justeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gejusteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gejusteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gejusteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gejusteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gejusteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gejusteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gejusteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gejusteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gejusteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejusteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejusteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gejusteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejusteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal justeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal justeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal justeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gejusteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gejusteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejusteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejusteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejusteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejusteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejusteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou justeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou justeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou justeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejusteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejusteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejusteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gejusteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejusteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejusteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden justeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden justeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden justeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejusteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gejusteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt justeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejusteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejusteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejusteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gejusteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejusteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejusteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen justeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen justeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen justeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen justeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejusteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gejusteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gejusteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult justeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘op de juiste maat brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1479
Woordfamilie van justeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejusteerd | voltooid deelwoord | justeren |
| gejusteerde | woordvorm | justeren |
| justeer | gebiedende wijs | justeren |
| justeerde | verleden tijd | justeren |
| justeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | justeren |
| justeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | justeren |
| justere | aanvoegende wijs | justeren |
| justerend | onvoltooid deelwoord | justeren |
| justerende | woordvorm | justeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van justeren zijn vastgelegd.