Naar de inhoud

judoën

de judosport beoefenen

judoën

werkwoord

Betekenis

  1. de judosport beoefenen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van judoën

judoënhele werkwoord — judodeverleden tijd enkelvoud — judodenverleden tijd meervoud — gejudoodvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik judo judode
jij judoot judode
hij, zij, het judoot judode
wij judoën judoden
jullie judoën judoden
zij judoën judoden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gejudood verleden tijd, deelwoord
gejudood te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gejudood zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gejudood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gejudood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gejudood voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gejudood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gejudood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gejudood voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gejudood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gejudood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejudood actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gejudood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejudood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gejudood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gejudood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejudood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejudood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
judo gebiedende wijs
judode verleden tijd
judoë aanvoegende wijs
judoënd onvoltooid, deelwoord
te hebben gejudood actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te judoën actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen judoën actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gejudood hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gejudood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gejudood hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal judoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal judoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal judoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gejudood hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gejudood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gejudood hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou judoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou judoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou judoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gejudood hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gejudood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gejudood hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden judoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden judoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden judoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gejudood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt judoën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gejudood hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gejudood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gejudood hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen judoën actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen judoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen judoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen judoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gejudood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult judoën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van judo zn met de uitgang -en

Woordfamilie van judoën

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gejudood voltooid deelwoord judoën
judode verleden tijd judoën
judoden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon judoën
judoot aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon judoën
judoë aanvoegende wijs judoën
judoënd onvoltooid deelwoord judoën
judoënde woordvorm judoën

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van judoën zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over judoën

Wat is de betekenis van judoën?
Judoën is een werkwoord. De betekenis is: de judosport beoefenen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik judoën?
Zo vervoeg je judoën zo: de tegenwoordige tijd is judo, de verleden tijd is judode en het voltooid deelwoord is gejudood. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord judoën is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. J 4
  2. U 4
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

judoën levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. J 4
  2. U 2
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

judoën in het kort

judoën staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van judoën staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort judoën bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

judoën: de judosport beoefenen
Deel judoën — standaardnederlands.nl