jubelen
werkwoord /jybələ/Betekenis
- juichen
Hoe spreek je jubelen uit?
/jybələ/
Jubelen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| y | fuut |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
Vervoeging van jubelen
jubelenhele werkwoord — jubeldeverleden tijd enkelvoud — jubeldenverleden tijd meervoud — gejubeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jubel | jubelde |
| jij | jubelt | jubelde |
| hij, zij, het | jubelt | jubelde |
| wij | jubelen | jubelden |
| jullie | jubelen | jubelden |
| zij | jubelen | jubelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejubeld | verleden tijd, deelwoord |
| gejubeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejubeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejubeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejubeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejubeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejubeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejubeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejubeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejubeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejubeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejubeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejubeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejubeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejubeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejubeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejubeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejubeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jubel | gebiedende wijs |
| jubelde | verleden tijd |
| jubele | aanvoegende wijs |
| jubelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejubeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jubelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jubelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejubeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejubeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejubeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejubeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejubeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejubeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejubeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejubeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejubeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejubeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejubeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejubeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejubeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jubelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejubeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jubelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘vreugdekreten aanheffen’ voor het eerst aangetroffen in 1854
Woordfamilie van jubelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejubeld | voltooid deelwoord | jubelen |
| jubelde | verleden tijd | jubelen |
| jubelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jubelen |
| jubele | aanvoegende wijs | jubelen |
| jubelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jubelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jubelen zijn vastgelegd.