jubeljaar
zelfstandig naamwoord /ˈjybəljar/Betekenis
- joveel, elk vijftigste jaar, waarin volgens de Bijbel (Lev. 25) schulden werden kwijtgescholden en land weer in het bezit van de oorspronkelijke eigenaar kwam
- (rooms-katholiek) Heilig Jaar, elk vijfentwintigste jaar, waarin gelovigen vergeving voor al hun zonden kunnen krijgen door een bedevaart naar Rome of een speciaal door de paus uitgeroepen heilig jaar in de tussenliggende periode
- jaar waarin men een verjaardag of jubileum viert dat een veelvoud van 25 jaar is
- zeldzame gebeurtenis; in de uitdrukking:
Hoe spreek je jubeljaar uit?
/ˈjybəljar/
Jubeljaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| y | fuut |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- Heilig Jaar, elk vijfentwintigste jaar, waarin gelovigen vergeving voor al hun zonden kunnen krijgen door een bedevaart naar Rome of een speciaal door de paus uitgeroepen heilig jaar in de tussenliggende periode
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jubeljaren | meervoud |
Herkomst
op te vatten als samenstelling van jubelen en jaar; het linkerdeel "jubel" eigenlijk ontleend aan Hebreeuws יובל (joveel) "jubeljaar" en beïnvloed door Latijn jublilare "juichen" en Latijn jubilus "deel van kerkgezang waarbij een lettergreep een reeks noten met verschillende toonhoogte wordt aangehouden"
Woordfamilie van jubeljaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jubeljaren | meervoud | jubeljaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jubeljaar zijn vastgelegd.