jouwen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- luidkeels van afkeuring en minachting blijk geven
Vervoeging van jouwen
jouwenhele werkwoord — jouwdeverleden tijd enkelvoud — jouwdenverleden tijd meervoud — gejouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jouw | jouwde |
| jij | jouwt | jouwde |
| hij, zij, het | jouwt | jouwde |
| wij | jouwen | jouwden |
| jullie | jouwen | jouwden |
| zij | jouwen | jouwden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gejouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gejouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gejouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gejouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gejouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gejouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gejouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gejouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gejouwd | verleden tijd, deelwoord |
| gejouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jouw | gebiedende wijs |
| jouwde | verleden tijd |
| jouwe | aanvoegende wijs |
| jouwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord jouw
- meervoud van het zelfstandig naamwoord jouwe
Herkomst
In de betekenis van ‘schimpen’ voor het eerst aangetroffen in 1613
Woordfamilie van jouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejouwd | voltooid deelwoord | jouwen |
| jouwde | verleden tijd | jouwen |
| jouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jouwen |
| jouwend | onvoltooid deelwoord | jouwen |
| jouwende | woordvorm | jouwen |
| jouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jouwen zijn vastgelegd.