joggen
werkwoordBetekenis
- hardlopen om te trainen, als oefening om in conditie te blijven
- hardlopend ergens heengaan
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van joggen
joggenhele werkwoord — jogdeverleden tijd enkelvoud — jogdenverleden tijd meervoud — gejogdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jog | jogde |
| jij | jogt | jogde |
| hij, zij, het | jogt | jogde |
| wij | joggen | jogden |
| jullie | joggen | jogden |
| zij | joggen | jogden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejogd | verleden tijd, deelwoord |
| gejogd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejogd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jog | gebiedende wijs |
| jogde | verleden tijd |
| jogge | aanvoegende wijs |
| joggend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te joggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen joggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal joggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal joggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal joggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou joggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou joggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou joggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden joggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden joggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden joggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt joggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen joggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen joggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen joggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen joggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult joggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hardlopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1979
Woordfamilie van joggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejogd | voltooid deelwoord | joggen |
| gejogde | woordvorm | joggen |
| jog | gebiedende wijs | joggen |
| jogde | verleden tijd | joggen |
| jogden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | joggen |
| jogge | aanvoegende wijs | joggen |
| joggend | onvoltooid deelwoord | joggen |
| joggende | woordvorm | joggen |
| jogt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | joggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van joggen zijn vastgelegd.