jengelen
werkwoordBetekenis
- zeuren, zaniken, jammeren, tot last zijn
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van jengelen
jengelenhele werkwoord — jengeldeverleden tijd enkelvoud — jengeldenverleden tijd meervoud — gejengeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jengel | jengelde |
| jij | jengelt | jengelde |
| hij, zij, het | jengelt | jengelde |
| wij | jengelen | jengelden |
| jullie | jengelen | jengelden |
| zij | jengelen | jengelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejengeld | verleden tijd, deelwoord |
| gejengeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejengeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jengel | gebiedende wijs |
| jengelde | verleden tijd |
| jengele | aanvoegende wijs |
| jengelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jengelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘dwingend huilen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1528
Woordfamilie van jengelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejengeld | voltooid deelwoord | jengelen |
| jengel | gebiedende wijs | jengelen |
| jengelde | verleden tijd | jengelen |
| jengelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jengelen |
| jengele | aanvoegende wijs | jengelen |
| jengelend | onvoltooid deelwoord | jengelen |
| jengelende | woordvorm | jengelen |
| jengelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jengelen |
| jengels | meervoud | jengel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jengelen zijn vastgelegd.