Naar de inhoud

jengelen

zeuren, zaniken, jammeren, tot last zijn

jengelen

werkwoord

Betekenis

  1. zeuren, zaniken, jammeren, tot last zijn
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van jengelen

jengelenhele werkwoord — jengeldeverleden tijd enkelvoud — jengeldenverleden tijd meervoud — gejengeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik jengel jengelde
jij jengelt jengelde
hij, zij, het jengelt jengelde
wij jengelen jengelden
jullie jengelen jengelden
zij jengelen jengelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gejengeld verleden tijd, deelwoord
gejengeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gejengeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gejengeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gejengeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gejengeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gejengeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gejengeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gejengeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gejengeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gejengeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejengeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gejengeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejengeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gejengeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gejengeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejengeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejengeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
jengel gebiedende wijs
jengelde verleden tijd
jengele aanvoegende wijs
jengelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gejengeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te jengelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen jengelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gejengeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gejengeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gejengeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal jengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal jengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal jengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gejengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gejengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gejengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou jengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou jengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou jengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gejengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gejengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gejengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden jengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden jengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden jengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gejengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt jengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gejengeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gejengeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gejengeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen jengelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen jengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen jengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen jengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gejengeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult jengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘dwingend huilen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1528

Woordfamilie van jengelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gejengeld voltooid deelwoord jengelen
jengel gebiedende wijs jengelen
jengelde verleden tijd jengelen
jengelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon jengelen
jengele aanvoegende wijs jengelen
jengelend onvoltooid deelwoord jengelen
jengelende woordvorm jengelen
jengelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon jengelen
jengels meervoud jengel

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jengelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over jengelen

Wat betekent jengelen?
Jengelen is een werkwoord. Het woord betekent: zeuren, zaniken, jammeren, tot last zijn. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je jengelen?
Je vervoegt jengelen als volgt: de tegenwoordige tijd is jengel, de verleden tijd is jengelde en het voltooid deelwoord is gejengeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord jengelen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. J 4
  2. E 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

jengelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. J 4
  2. E 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

jengelen in het kort

jengelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van jengelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort jengelen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

jengelen: zeuren, zaniken, jammeren, tot last zijn
Deel jengelen — standaardnederlands.nl