jakkeren
werkwoordBetekenis
- zich haastig, jachtig ergens heen voortbewegen
- haastig, jachtig voortbewegen, rijden
- ~ door jachtig in versneld tempo iets doorvoeren
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van jakkeren
jakkerenhele werkwoord — jakkerdeverleden tijd enkelvoud — jakkerdenverleden tijd meervoud — gejakkerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jakker | jakkerde |
| jij | jakkert | jakkerde |
| hij, zij, het | jakkert | jakkerde |
| wij | jakkeren | jakkerden |
| jullie | jakkeren | jakkerden |
| zij | jakkeren | jakkerden |
Alle 61 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| er is gejakkerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gejakkerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gejakkerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gejakkerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gejakkerd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gejakkerd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gejakkerd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gejakkerd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gejakkerd | verleden tijd, deelwoord |
| gejakkerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gejakkerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gejakkerd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejakkerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejakkerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejakkerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gejakkerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gejakkerd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gejakkerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gejakkerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gejakkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gejakkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jakker | gebiedende wijs |
| jakkerde | verleden tijd |
| jakkere | aanvoegende wijs |
| jakkerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn gejakkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jakkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jakkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gejakkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gejakkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gejakkerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gejakkerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gejakkerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gejakkerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gejakkerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gejakkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gejakkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gejakkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gejakkerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gejakkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejakkerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gejakkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejakkerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gejakkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jakkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult jakkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voortjagen’ voor het eerst aangetroffen in 1850
Woordfamilie van jakkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejakkerd | voltooid deelwoord | jakkeren |
| gejakkerde | woordvorm | jakkeren |
| jakker | gebiedende wijs | jakkeren |
| jakkerde | verleden tijd | jakkeren |
| jakkerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jakkeren |
| jakkere | aanvoegende wijs | jakkeren |
| jakkerend | onvoltooid deelwoord | jakkeren |
| jakkerende | woordvorm | jakkeren |
| jakkert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jakkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jakkeren zijn vastgelegd.