jakken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- snel rijden of lopen, jakkeren
- ravotten
Vervoeging van jakken
jakkenhele werkwoord — jakteverleden tijd enkelvoud — jaktenverleden tijd meervoud — gejaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jak | jakte |
| jij | jakt | jakte |
| hij, zij, het | jakt | jakte |
| wij | jakken | jakten |
| jullie | jakken | jakten |
| zij | jakken | jakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejakt | verleden tijd, deelwoord |
| gejakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jak | gebiedende wijs |
| jakke | aanvoegende wijs |
| jakkend | onvoltooid, deelwoord |
| jakte | verleden tijd |
| te hebben gejakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord jak
Herkomst
intensief van jagen
Woordfamilie van jakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejakt | voltooid deelwoord | jakken |
| jakkend | onvoltooid deelwoord | jakken |
| jakkende | woordvorm | jakken |
| jakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jakken |
| jakte | verleden tijd | jakken |
| jakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jakken zijn vastgelegd.