Naar de inhoud

jakken

snel rijden of lopen, jakkeren

jakken is meer dan één woord

jakken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. snel rijden of lopen, jakkeren
  2. ravotten

Vervoeging van jakken

jakkenhele werkwoord — jakteverleden tijd enkelvoud — jaktenverleden tijd meervoud — gejaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik jak jakte
jij jakt jakte
hij, zij, het jakt jakte
wij jakken jakten
jullie jakken jakten
zij jakken jakten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gejakt verleden tijd, deelwoord
gejakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gejakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gejakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gejakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gejakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gejakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gejakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gejakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gejakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gejakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gejakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gejakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gejakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
jak gebiedende wijs
jakke aanvoegende wijs
jakkend onvoltooid, deelwoord
jakte verleden tijd
te hebben gejakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te jakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen jakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gejakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gejakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gejakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal jakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal jakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal jakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gejakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gejakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gejakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou jakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou jakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou jakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gejakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gejakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gejakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden jakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden jakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden jakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gejakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt jakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gejakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gejakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gejakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen jakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen jakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen jakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen jakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gejakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult jakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord jak

Herkomst

intensief van jagen

Woordfamilie van jakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gejakt voltooid deelwoord jakken
jakkend onvoltooid deelwoord jakken
jakkende woordvorm jakken
jakt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon jakken
jakte verleden tijd jakken
jakten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon jakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jakken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over jakken

Wat betekent jakken?
Jakken is een werkwoord. Het woord betekent: snel rijden of lopen, jakkeren. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je jakken?
Je vervoegt jakken als volgt: de tegenwoordige tijd is jak, de verleden tijd is jakte en het voltooid deelwoord is gejakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord jakken is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. J 4
  2. A 1
  3. K 3
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

jakken levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. J 4
  2. A 1
  3. K 3
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

jakken telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

jakken in het kort

jakken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van jakken zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort jakken bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

jakken: snel rijden of lopen, jakkeren
Deel jakken — standaardnederlands.nl