iriseren
werkwoordBetekenis
- de kleuren van de regenboog vertonen
- kleuren in de tinten van de regenboog
Vervoeging van iriseren
iriserenhele werkwoord — iriseerdeverleden tijd enkelvoud — iriseerdenverleden tijd meervoud — geïriseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | iriseer | iriseerde |
| jij | iriseert | iriseerde |
| hij, zij, het | iriseert | iriseerde |
| wij | iriseren | iriseerden |
| jullie | iriseren | iriseerden |
| zij | iriseren | iriseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïriseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïriseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïriseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïriseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïriseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïriseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïriseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïriseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïriseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïriseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïriseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïriseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïriseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïriseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïriseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïriseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïriseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïriseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïriseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïriseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| iriseer | gebiedende wijs |
| iriseerde | verleden tijd |
| irisere | aanvoegende wijs |
| iriserend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïriseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te iriseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen iriseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïriseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïriseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïriseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïriseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïriseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïriseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïriseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïriseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïriseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïriseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïriseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïriseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïriseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen iriseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïriseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïriseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult iriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse iriser (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van iriseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïriseerd | voltooid deelwoord | iriseren |
| geïriseerde | woordvorm | iriseren |
| iriseer | gebiedende wijs | iriseren |
| iriseerde | verleden tijd | iriseren |
| iriseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | iriseren |
| iriseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | iriseren |
| irisere | aanvoegende wijs | iriseren |
| iriserend | onvoltooid deelwoord | iriseren |
| iriserende | woordvorm | iriseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van iriseren zijn vastgelegd.