Naar de inhoud

inwerken

uitwerking hebben, invloed hebben

inwerken

werkwoord

Betekenis

  1. uitwerking hebben, invloed hebben
  2. in een materie thuis laten worden
  3. al werkend aanbrengen

Vervoeging van inwerken

inwerkenhele werkwoord — werkte inverleden tijd enkelvoud — werkten inverleden tijd meervoud — ingewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk in werkte in
jij werkt in werkte in
hij, zij, het werkt in werkte in
wij werken in werkten in
jullie werken in werkten in
zij werken in werkten in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingewerkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingewerkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingewerkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingewerkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingewerkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingewerkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal werken bijzin, toekomende tijd
in zou werken bijzin, voorwaardelijk
in zouden werken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt werken bijzin, voorwaardelijk
in zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen werken bijzin, toekomende tijd
in zult werken bijzin, toekomende tijd
ingewerkt verleden tijd, deelwoord
ingewerkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingewerkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingewerkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingewerkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingewerkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingewerkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingewerkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingewerkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inwerk bijzin, tegenwoordige tijd
inwerkend onvoltooid, deelwoord
inwerkt bijzin, tegenwoordige tijd
inwerkte bijzin, verleden tijd
inwerkten bijzin, verleden tijd
is ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben ingewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werk in gebiedende wijs
werkte in verleden tijd
word ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inwerken bijzin, toekomende tijd
zijn ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inwerken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inwerken in zou(dt) werken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inwerken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inwerken bijzin, voorwaardelijk
zullen ingewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inwerken bijzin, toekomende tijd
zult ingewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in en werken

Woordfamilie van inwerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingewerkt voltooid deelwoord inwerken
ingewerkte woordvorm inwerken
inwerk subordinate-clause, tegenwoordige tijd inwerken
inwerke with-subordinate-clause inwerken
inwerkend onvoltooid deelwoord inwerken
inwerkende woordvorm inwerken
inwerkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inwerken
inwerkte subordinate-clause, verleden tijd inwerken
inwerkten subordinate-clause, verleden tijd inwerken
werk in gebiedende wijs inwerken
werke in woordvorm inwerken
werken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inwerken
werkt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inwerken
werkte in verleden tijd inwerken
werkten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inwerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inwerken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over inwerken

Wat betekent inwerken?
Inwerken is een werkwoord. Het woord betekent: uitwerking hebben, invloed hebben. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inwerken?
Je vervoegt inwerken als volgt: het voltooid deelwoord is ingewerkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inwerken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. W 5
  4. E 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inwerken levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. W 5
  4. E 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inwerken in het kort

inwerken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inwerken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inwerken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inwerken: uitwerking hebben, invloed hebben
Deel inwerken — standaardnederlands.nl