invangen
werkwoordBetekenis
- iets dat vrij was bij zich binden
- een vrijbewegend voorwerp in een vaste baan doen komen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van invangen
invangenhele werkwoord — ving inverleden tijd enkelvoud — vingen inverleden tijd meervoud — ingevangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vang in | ving in |
| jij | vangt in | ving in |
| hij, zij, het | vangt in | ving in |
| wij | vangen in | vingen in |
| jullie | vangen in | vingen in |
| zij | vangen in | vingen in |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is ingevangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingevangen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingevangen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingevangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingevangen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingevangen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingevangen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingevangen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingevangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingevangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingevangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te vangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen vangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal vangen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen vangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen vangen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult vangen | bijzin, toekomende tijd |
| ingevangen | verleden tijd, deelwoord |
| ingevangen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingevangen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingevangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingevangen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingevangen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingevangen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingevangen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingevangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingevangen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingevangen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| invang | bijzin, tegenwoordige tijd |
| invangend | onvoltooid, deelwoord |
| invangt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inving | bijzin, verleden tijd |
| invingen | bijzin, verleden tijd |
| invingt | bijzin, verleden tijd |
| is ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben ingevangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen invangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vang in | gebiedende wijs |
| ving in | verleden tijd |
| waren ingevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden ingevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden ingevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingevangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal invangen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou ingevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou invangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) invangen in zou(dt) vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden invangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt invangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingevangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen invangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen invangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult invangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult invangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal invangen in zult/zal vangen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en vangen ww
Woordfamilie van invangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingevangen | voltooid deelwoord | invangen |
| invang | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | invangen |
| invange | with-subordinate-clause | invangen |
| invangend | onvoltooid deelwoord | invangen |
| invangende | woordvorm | invangen |
| invangt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | invangen |
| inving | subordinate-clause, verleden tijd | invangen |
| invingen | subordinate-clause, verleden tijd | invangen |
| invingt | subordinate-clause, verleden tijd | invangen |
| vang in | gebiedende wijs | invangen |
| vange in | woordvorm | invangen |
| vangen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | invangen |
| vangt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | invangen |
| ving in | verleden tijd | invangen |
| vingen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | invangen |
| vingt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | invangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van invangen zijn vastgelegd.