Naar de inhoud

invangen

iets dat vrij was bij zich binden

invangen

werkwoord

Betekenis

  1. iets dat vrij was bij zich binden
  2. een vrijbewegend voorwerp in een vaste baan doen komen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van invangen

invangenhele werkwoord — ving inverleden tijd enkelvoud — vingen inverleden tijd meervoud — ingevangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vang in ving in
jij vangt in ving in
hij, zij, het vangt in ving in
wij vangen in vingen in
jullie vangen in vingen in
zij vangen in vingen in
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is ingevangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingevangen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingevangen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingevangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingevangen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingevangen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingevangen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingevangen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingevangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingevangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingevangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te vangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen vangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal vangen bijzin, toekomende tijd
in zou vangen bijzin, voorwaardelijk
in zouden vangen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt vangen bijzin, voorwaardelijk
in zullen vangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen vangen bijzin, toekomende tijd
in zult vangen bijzin, toekomende tijd
ingevangen verleden tijd, deelwoord
ingevangen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingevangen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingevangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingevangen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingevangen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingevangen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingevangen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingevangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingevangen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingevangen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
invang bijzin, tegenwoordige tijd
invangend onvoltooid, deelwoord
invangt bijzin, tegenwoordige tijd
inving bijzin, verleden tijd
invingen bijzin, verleden tijd
invingt bijzin, verleden tijd
is ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben ingevangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen invangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vang in gebiedende wijs
ving in verleden tijd
waren ingevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden ingevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden ingevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal ingevangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingevangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingevangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingevangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingevangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal invangen bijzin, toekomende tijd
zijn ingevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou ingevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou invangen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) invangen in zou(dt) vangen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden invangen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt invangen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingevangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingevangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingevangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingevangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingevangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen invangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen invangen bijzin, toekomende tijd
zult ingevangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult invangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult invangen bijzin, toekomende tijd
zult/zal invangen in zult/zal vangen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en vangen ww

Woordfamilie van invangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingevangen voltooid deelwoord invangen
invang subordinate-clause, tegenwoordige tijd invangen
invange with-subordinate-clause invangen
invangend onvoltooid deelwoord invangen
invangende woordvorm invangen
invangt subordinate-clause, tegenwoordige tijd invangen
inving subordinate-clause, verleden tijd invangen
invingen subordinate-clause, verleden tijd invangen
invingt subordinate-clause, verleden tijd invangen
vang in gebiedende wijs invangen
vange in woordvorm invangen
vangen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon invangen
vangt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon invangen
ving in verleden tijd invangen
vingen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon invangen
vingt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon invangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van invangen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over invangen

Wat betekent invangen?
Invangen is een werkwoord. Het woord betekent: iets dat vrij was bij zich binden. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je invangen?
Je vervoegt invangen als volgt: het voltooid deelwoord is ingevangen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord invangen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

invangen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

invangen in het kort

invangen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van invangen zijn 80 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort invangen bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

invangen: iets dat vrij was bij zich binden
Deel invangen — standaardnederlands.nl