invalideren
werkwoordBetekenis
- ongeldig verklaren
Vervoeging van invalideren
invaliderenhele werkwoord — invalideerdeverleden tijd enkelvoud — invalideerdenverleden tijd meervoud — geïnvalideerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | invalideer | invalideerde |
| jij | invalideert | invalideerde |
| hij, zij, het | invalideert | invalideerde |
| wij | invalideren | invalideerden |
| jullie | invalideren | invalideerden |
| zij | invalideren | invalideerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnvalideerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnvalideerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnvalideerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnvalideerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnvalideerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnvalideerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnvalideerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnvalideerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnvalideerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnvalideerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnvalideerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnvalideerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnvalideerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnvalideerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnvalideerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnvalideerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnvalideerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnvalideerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnvalideerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnvalideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| invalideer | gebiedende wijs |
| invalideerde | verleden tijd |
| invalidere | aanvoegende wijs |
| invaliderend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnvalideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te invalideren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen invalideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnvalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnvalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnvalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnvalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnvalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnvalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnvalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnvalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnvalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnvalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnvalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnvalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnvalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnvalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnvalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnvalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnvalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnvalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnvalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnvalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnvalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnvalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnvalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnvalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnvalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnvalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnvalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnvalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen invalideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnvalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnvalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnvalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult invalideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse invalider (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van invalideren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnvalideerd | voltooid deelwoord | invalideren |
| geïnvalideerde | woordvorm | invalideren |
| invalideer | gebiedende wijs | invalideren |
| invalideerde | verleden tijd | invalideren |
| invalideerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | invalideren |
| invalideert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | invalideren |
| invaliderend | onvoltooid deelwoord | invalideren |
| invaliderende | woordvorm | invalideren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van invalideren zijn vastgelegd.