Naar de inhoud

internetten

gebruik maken van het internet

internetten

werkwoord

Betekenis

  1. gebruik maken van het internet

Vervoeging van internetten

internettenhele werkwoord — internetteverleden tijd enkelvoud — geïnternetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik internet internette
jij internet internette
hij, zij, het internet internette
wij internetten —
jullie internetten —
zij internetten —
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geïnternet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïnternet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïnternet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïnternet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïnternet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïnternet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïnternet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïnternet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïnternet verleden tijd, deelwoord
geïnternet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnternet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïnternet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïnternet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïnternet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïnternet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïnternet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïnternet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïnternet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnternet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
internet gebiedende wijs
internette verleden tijd
internette aanvoegende wijs
internettend onvoltooid, deelwoord
te hebben geïnternet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te internetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen internetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen internetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van internetten

Vervoeging van internetten

internettenhele werkwoord — internetteverleden tijd enkelvoud — geïnternetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik internet internette
jij internet internette
hij, zij, het internet internette
wij internetten —
jullie internetten —
zij internetten —
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geïnternet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïnternet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïnternet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïnternet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïnternet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïnternet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïnternet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïnternet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïnternet verleden tijd, deelwoord
geïnternet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnternet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïnternet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïnternet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïnternet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïnternet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïnternet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïnternet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïnternet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnternet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnternet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
internet gebiedende wijs
internette verleden tijd
internette aanvoegende wijs
internettend onvoltooid, deelwoord
te hebben geïnternet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te internetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen internetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïnternet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt internetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen internetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïnternet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult internetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Verbalisering van het zelfstandig naamwoord internet.

Woordfamilie van internetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïnternet voltooid deelwoord internetten
internette verleden tijd internetten
internettend onvoltooid deelwoord internetten
internettende woordvorm internetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van internetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over internetten

Wat betekent internetten?
Internetten is een werkwoord. Het woord betekent: gebruik maken van het internet.
Hoe vervoeg je internetten?
Je vervoegt internetten als volgt: de tegenwoordige tijd is internet, de verleden tijd is internette en het voltooid deelwoord is geïnternet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord internetten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. N 1
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

internetten levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. T 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. N 1
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 16 zonder bonus
  13. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

internetten in het kort

internetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van internetten zijn 37 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort internetten bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

internetten: gebruik maken van het internet
Deel internetten — standaardnederlands.nl