internetten
werkwoordBetekenis
- gebruik maken van het internet
Vervoeging van internetten
internettenhele werkwoord — internetteverleden tijd enkelvoud — geïnternetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | internet | internette |
| jij | internet | internette |
| hij, zij, het | internet | internette |
| wij | internetten | — |
| jullie | internetten | — |
| zij | internetten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geïnternet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnternet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnternet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnternet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnternet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnternet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnternet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnternet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnternet | verleden tijd, deelwoord |
| geïnternet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnternet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnternet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnternet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnternet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnternet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnternet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnternet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnternet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnternet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| internet | gebiedende wijs |
| internette | verleden tijd |
| internette | aanvoegende wijs |
| internettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïnternet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te internetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen internetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen internetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van internetten
Vervoeging van internetten
internettenhele werkwoord — internetteverleden tijd enkelvoud — geïnternetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | internet | internette |
| jij | internet | internette |
| hij, zij, het | internet | internette |
| wij | internetten | — |
| jullie | internetten | — |
| zij | internetten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geïnternet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnternet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnternet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnternet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnternet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnternet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnternet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnternet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnternet | verleden tijd, deelwoord |
| geïnternet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnternet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnternet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnternet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnternet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnternet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnternet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnternet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnternet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnternet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnternet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| internet | gebiedende wijs |
| internette | verleden tijd |
| internette | aanvoegende wijs |
| internettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïnternet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te internetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen internetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnternet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt internetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen internetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnternet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult internetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Verbalisering van het zelfstandig naamwoord internet.
Woordfamilie van internetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnternet | voltooid deelwoord | internetten |
| internette | verleden tijd | internetten |
| internettend | onvoltooid deelwoord | internetten |
| internettende | woordvorm | internetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van internetten zijn vastgelegd.