instroom
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- toeloop
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| instromen | meervoud |
| instroompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| instroompjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van instromen
Vervoeging van instroom
instroomhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van in en stroom
Woordfamilie van instroom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| instroompje | verkleinwoord | instroom |
| instroompjes | verkleinwoord meervoud | instroom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instroom zijn vastgelegd.