instoten
werkwoordBetekenis
- met een stotende beweging iets kapot maken
- met kracht iets in een grotere ruimte brengen
- het doen van de warming-up bij kogelstoten
Vervoeging van instoten
instotenhele werkwoord — stiet inverleden tijd enkelvoud — stieten inverleden tijd meervoud — ingestotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stoot in | stiet in |
| jij | stoot in | stiet in |
| hij, zij, het | stoot in | stiet in |
| wij | stoten in | stieten in |
| jullie | stoten in | stieten in |
| zij | stoten in | stieten in |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te stoten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal stoten | bijzin, toekomende tijd |
| in zou stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen stoten | bijzin, toekomende tijd |
| in zult stoten | bijzin, toekomende tijd |
| ingestoten | verleden tijd, deelwoord |
| ingestoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingestoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| instiet | bijzin, verleden tijd |
| instieten | bijzin, verleden tijd |
| instoot | bijzin, tegenwoordige tijd |
| instootte | bijzin, verleden tijd |
| instootten | bijzin, verleden tijd |
| instotend | onvoltooid, deelwoord |
| stiet in | verleden tijd |
| stoot in | gebiedende wijs |
| stootte in | verleden tijd |
| te hebben ingestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen instoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal instoten | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou instoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) instoten in zou(dt) stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden instoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt instoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen instoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen instoten | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult instoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult instoten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal instoten in zult/zal stoten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en stoten ww
Woordfamilie van instoten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingestoten | voltooid deelwoord | instoten |
| instiet | subordinate-clause, verleden tijd | instoten |
| instieten | subordinate-clause, verleden tijd | instoten |
| instoot | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | instoten |
| instootte | subordinate-clause, verleden tijd | instoten |
| instootten | subordinate-clause, verleden tijd | instoten |
| instote | with-subordinate-clause | instoten |
| instotend | onvoltooid deelwoord | instoten |
| instotende | woordvorm | instoten |
| stiet in | verleden tijd | instoten |
| stieten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | instoten |
| stoot in | gebiedende wijs | instoten |
| stootte in | verleden tijd | instoten |
| stootten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | instoten |
| stote in | woordvorm | instoten |
| stoten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | instoten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instoten zijn vastgelegd.