Naar de inhoud

instoten

met een stotende beweging iets kapot maken

instoten

werkwoord

Betekenis

  1. met een stotende beweging iets kapot maken
  2. met kracht iets in een grotere ruimte brengen
  3. het doen van de warming-up bij kogelstoten

Vervoeging van instoten

instotenhele werkwoord — stiet inverleden tijd enkelvoud — stieten inverleden tijd meervoud — ingestotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stoot in stiet in
jij stoot in stiet in
hij, zij, het stoot in stiet in
wij stoten in stieten in
jullie stoten in stieten in
zij stoten in stieten in
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingestoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te stoten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen stoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal stoten bijzin, toekomende tijd
in zou stoten bijzin, voorwaardelijk
in zouden stoten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt stoten bijzin, voorwaardelijk
in zullen stoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen stoten bijzin, toekomende tijd
in zult stoten bijzin, toekomende tijd
ingestoten verleden tijd, deelwoord
ingestoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingestoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
instiet bijzin, verleden tijd
instieten bijzin, verleden tijd
instoot bijzin, tegenwoordige tijd
instootte bijzin, verleden tijd
instootten bijzin, verleden tijd
instotend onvoltooid, deelwoord
stiet in verleden tijd
stoot in gebiedende wijs
stootte in verleden tijd
te hebben ingestoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen instoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ingestoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingestoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingestoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal instoten bijzin, toekomende tijd
zou ingestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou instoten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) instoten in zou(dt) stoten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden instoten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt instoten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingestoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingestoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingestoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen instoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen instoten bijzin, toekomende tijd
zult ingestoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult instoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult instoten bijzin, toekomende tijd
zult/zal instoten in zult/zal stoten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en stoten ww

Woordfamilie van instoten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingestoten voltooid deelwoord instoten
instiet subordinate-clause, verleden tijd instoten
instieten subordinate-clause, verleden tijd instoten
instoot subordinate-clause, tegenwoordige tijd instoten
instootte subordinate-clause, verleden tijd instoten
instootten subordinate-clause, verleden tijd instoten
instote with-subordinate-clause instoten
instotend onvoltooid deelwoord instoten
instotende woordvorm instoten
stiet in verleden tijd instoten
stieten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon instoten
stoot in gebiedende wijs instoten
stootte in verleden tijd instoten
stootten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon instoten
stote in woordvorm instoten
stoten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon instoten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instoten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over instoten

Wat is de betekenis van instoten?
Instoten is een werkwoord. De betekenis is: met een stotende beweging iets kapot maken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik instoten?
Zo vervoeg je instoten zo: het voltooid deelwoord is ingestoten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord instoten is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

instoten levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

instoten in het kort

instoten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van instoten staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort instoten bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

instoten: met een stotende beweging iets kapot maken
Deel instoten — standaardnederlands.nl