Naar de inhoud

institueren

instellen, stichten

institueren

werkwoord

Betekenis

  1. instellen, stichten

Vervoeging van institueren

instituerenhele werkwoord — institueerdeverleden tijd enkelvoud — institueerdenverleden tijd meervoud — geïnstitueerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik institueer institueerde
jij institueert institueerde
hij, zij, het institueert institueerde
wij institueren institueerden
jullie institueren institueerden
zij institueren institueerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geïnstitueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïnstitueerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïnstitueerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïnstitueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïnstitueerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïnstitueerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïnstitueerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïnstitueerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïnstitueerd verleden tijd, deelwoord
geïnstitueerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïnstitueerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïnstitueerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnstitueerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnstitueerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnstitueerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïnstitueerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïnstitueerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïnstitueerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïnstitueerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnstitueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
institueer gebiedende wijs
institueerde verleden tijd
instituere aanvoegende wijs
instituerend onvoltooid, deelwoord
is geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geïnstitueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te institueren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen institueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geïnstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geïnstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geïnstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïnstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geïnstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal institueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal institueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal institueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geïnstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geïnstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou institueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou institueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou institueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïnstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïnstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden institueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden institueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden institueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïnstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïnstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt institueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïnstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïnstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen institueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen institueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen institueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen institueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïnstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïnstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïnstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult institueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Naamwoord van handeling van het Franse instituer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van institueren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïnstitueerd voltooid deelwoord institueren
geïnstitueerde woordvorm institueren
institueer gebiedende wijs institueren
institueerde verleden tijd institueren
institueerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon institueren
institueert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon institueren
instituere aanvoegende wijs institueren
instituerend onvoltooid deelwoord institueren
instituerende woordvorm institueren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van institueren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over institueren

Wat is de betekenis van institueren?
Institueren is een werkwoord. De betekenis is: instellen, stichten.
Hoe vervoeg ik institueren?
Zo vervoeg je institueren zo: de tegenwoordige tijd is institueer, de verleden tijd is institueerde en het voltooid deelwoord is geïnstitueerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord institueren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. I 1
  6. T 2
  7. U 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

institueren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. I 2
  6. T 2
  7. U 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 zonder bonus
  13. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

institueren in het kort

institueren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van institueren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort institueren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

institueren: instellen, stichten
Deel institueren — standaardnederlands.nl