inschikken
werkwoordBetekenis
- opschuiven zodat iedereen meer plaats heeft
- speelruimte afstaan
Vervoeging van inschikken
inschikkenhele werkwoord — schikte inverleden tijd enkelvoud — schikten inverleden tijd meervoud — ingeschiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schik in | schikte in |
| jij | schikt in | schikte in |
| hij, zij, het | schikt in | schikte in |
| wij | schikken in | schikten in |
| jullie | schikken in | schikten in |
| zij | schikken in | schikten in |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te schikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen schikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal schikken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou schikken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden schikken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt schikken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen schikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen schikken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult schikken | bijzin, toekomende tijd |
| ingeschikt | verleden tijd, deelwoord |
| ingeschikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeschikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inschik | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inschikkend | onvoltooid, deelwoord |
| inschikt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inschikte | bijzin, verleden tijd |
| inschikten | bijzin, verleden tijd |
| schik in | gebiedende wijs |
| schikte in | verleden tijd |
| te hebben ingeschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inschikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingeschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inschikken | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingeschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inschikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inschikken in zou(dt) schikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inschikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inschikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inschikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inschikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inschikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inschikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inschikken in zult/zal schikken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in en schikken
Woordfamilie van inschikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeschikt | voltooid deelwoord | inschikken |
| inschik | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inschikken |
| inschikke | with-subordinate-clause | inschikken |
| inschikkend | onvoltooid deelwoord | inschikken |
| inschikkende | woordvorm | inschikken |
| inschikt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inschikken |
| inschikte | subordinate-clause, verleden tijd | inschikken |
| inschikten | subordinate-clause, verleden tijd | inschikken |
| schik in | gebiedende wijs | inschikken |
| schikke in | woordvorm | inschikken |
| schikken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inschikken |
| schikt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inschikken |
| schikte in | verleden tijd | inschikken |
| schikten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inschikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inschikken zijn vastgelegd.