Naar de inhoud

inschikken

opschuiven zodat iedereen meer plaats heeft

inschikken

werkwoord

Betekenis

  1. opschuiven zodat iedereen meer plaats heeft
  2. speelruimte afstaan

Vervoeging van inschikken

inschikkenhele werkwoord — schikte inverleden tijd enkelvoud — schikten inverleden tijd meervoud — ingeschiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schik in schikte in
jij schikt in schikte in
hij, zij, het schikt in schikte in
wij schikken in schikten in
jullie schikken in schikten in
zij schikken in schikten in
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingeschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te schikken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen schikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal schikken bijzin, toekomende tijd
in zou schikken bijzin, voorwaardelijk
in zouden schikken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt schikken bijzin, voorwaardelijk
in zullen schikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen schikken bijzin, toekomende tijd
in zult schikken bijzin, toekomende tijd
ingeschikt verleden tijd, deelwoord
ingeschikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeschikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inschik bijzin, tegenwoordige tijd
inschikkend onvoltooid, deelwoord
inschikt bijzin, tegenwoordige tijd
inschikte bijzin, verleden tijd
inschikten bijzin, verleden tijd
schik in gebiedende wijs
schikte in verleden tijd
te hebben ingeschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inschikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ingeschikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeschikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inschikken bijzin, toekomende tijd
zou ingeschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inschikken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inschikken in zou(dt) schikken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inschikken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inschikken bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeschikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeschikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inschikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inschikken bijzin, toekomende tijd
zult ingeschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inschikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inschikken bijzin, toekomende tijd
zult/zal inschikken in zult/zal schikken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in en schikken

Woordfamilie van inschikken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeschikt voltooid deelwoord inschikken
inschik subordinate-clause, tegenwoordige tijd inschikken
inschikke with-subordinate-clause inschikken
inschikkend onvoltooid deelwoord inschikken
inschikkende woordvorm inschikken
inschikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inschikken
inschikte subordinate-clause, verleden tijd inschikken
inschikten subordinate-clause, verleden tijd inschikken
schik in gebiedende wijs inschikken
schikke in woordvorm inschikken
schikken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inschikken
schikt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inschikken
schikte in verleden tijd inschikken
schikten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inschikken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inschikken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over inschikken

Wat betekent inschikken?
Inschikken is een werkwoord. Het woord betekent: opschuiven zodat iedereen meer plaats heeft. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inschikken?
Je vervoegt inschikken als volgt: het voltooid deelwoord is ingeschikt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inschikken is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inschikken levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 2
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inschikken in het kort

inschikken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inschikken zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inschikken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inschikken: opschuiven zodat iedereen meer plaats heeft
Deel inschikken — standaardnederlands.nl